Vor deinem Thron… Bachs laatste woorden (of toch niet?)

[switch to english]

Juist omdat we zo weinig weten over het privé-leven van Bach, tieren er talloze anekdotes om die leemte op te vullen (horror vacui). Het verhaal “dat Bach op z’n sterfbed, al helemaal blind, het koraal “Vor deinem Thron tret ich hier mit” heeft gedicteerd, als z’n geestelijk testament” is een van de bekendste. Wat zijn de elementen—de feiten—waarop dit verhaal is gebaseerd?

De geschiedenis van de legende

Het verhaal begint niet bij het overlijdensbericht (geschreven in 1751 en gepubliceerd in 1754), want daarin staat het simpelweg niet. De auteurs, Carl Ph. Emmanuel Bach en Bachs leerling Agricola, noemen wel Bachs oogproblemen, de operaties die hij onderging en vermelden zelfs het tijdelijke herstel van zijn gezichtsvermogen tien dagen voor zijn dood, maar niets over een „dictee van een koraal” of een „laatste woord”.
Het eerste element van het verhaal duikt op in de publicatie van Die Kunst der Fuge (1751), uitgegeven door Bachs erfgenamen:

Op de achterzijde van de titelpagina staat een korte tekst (Nachricht/ Bericht)

„Der selige Herr Verfasser dieses Werkes wurde durch seine Augenkrankheit und dem kurz darauf erfolgten Tod ausser Stande gesetzet, die letzte Fuge, wo er sich bey anbringung des dritten Satzes namentlich zu erkennen giebet, zu Ende zu bringen; man hat dahero die Freunde seiner Muse durch Mittheilung des am Ende beygefügten vierstimmig ausgearbeiteten Kirchenchorals, den der selige Mann in seiner Blindheit einem seiner Freunde aus dem Stegereif in die Feder dictiret hat, schadlos halten wollen.“ (Wijlen de auteur van dit werk was door zijn oogziekte en zijn kort daaropvolgende dood niet meer in staat de laatste fuga—waarin hij zijn eigen naam bij het aanbrengen van het derde thema onthult—te voltooien. Daarom hebben de uitgevers de vrienden van zijn Muse schadeloos willen stellen door het meedelen van het aan het einde toegevoegde vierstemmig uitgewerkte kerklied, dat de overleden componist in zijn blindheid voor de vuist weg aan een van zijn vrienden heeft gedicteerd.)
1

De roodgekleurde zin verklaart de aanwezigheid van een vierstemmige zetting van het kerklied, na de onvoltooide fuga: het is een ‘compensatie’ voor de (schadeloosstelling) voor de onvolledigheid van de laatste fuga. NB: de titel van het koraal aan het einde is niet de titel die we verwachten (Vor deinem Thron) maar: Wenn wir in höchsten Nöten sein. Wel opvallend: net als de fuga’s wordt het koraal gepresenteerd op 4 afzonderlijke notenbalken.

Aan het einde…

Samengevat: Volgens de erfgenamen van Bach werd een 4-stemmig koraal Wenn wir in höchsten Nöten sein
1. gedicteerd aan een vriend toen Bach al blind was (d.w.z. ergens tussen eind 1749 en juli 1750, de periode dat Bach visueel zwaar gehandicapt was).
2. Het werd aan het einde van Die Kunst der Fuge toegevoegd als ‘compensatie’. Dit blijft het verhaal gedurende de 18e eeuw, met één belangrijke toevoeging:
3. Een zeer positieve waardering van de kwaliteit van de muziek door J.M. Schmidt (Musico-Theologia, 1754, een boek dat het bestaan van God ‘ex musica’ bewijst. Ja, echt waar). Schmidt verwijst naar Bachs Kunst der Fuge en het Koraal als bewijs dat echte muziek alleen gemaakt kan worden door menselijke wezens die ‘een ziel’ hebben en schrijft: “Wie werkelijk overtuigd wil worden, moet eens goed kijken naar het in koper gegraveerde, laatste fugatische werk van de eerder geprezen Bach—dat echter onderbroken werd door de blindheid die hem intussen overviel—en daarbij letten op de kunstvaardigheid die erin vervat zit; of, wat hem nog wonderbaarlijker moet voorkomen, het koraal dat door hem tijdens zijn blindheid gedicteerd werd: Wenn wir in höchsten Nothen seyn. Ik ben er zeker van dat hij al het merendeel van zijn ziel nodig zal hebben als hij alle aangebrachte schoonheden wil waarnemen, laat staan als hij het zelf wil spelen of een oordeel over de maker wil vellen.”2.

Niets over een ‘sterfbed-koraalnoten-dictee’, of ‘laatste woorden’.

De legende begint (J.N. Forkel, 1802)

J.N. Forkel (muziekhistoricus) schrijft in een catalogus van Bachs werken over de Kunst der Fuge:

“Om te compenseren wat er aan de laatste fuga ontbreekt, werd aan het einde van het werk het vierstemmige koraal toegevoegd: Wenn wir in höchsten Nöthen seyn & Bach dicteerde het in zijn blindheid, een paar dagen voor zijn dood, aan zijn schoonzoon, Altnikol. Over de kunst (kunde) die in dit koraal ten toon wordt gespreid, zal ik niets zeggen; het was de auteur zo vertrouwd dat hij het zelfs tijdens zijn ziekte kon uitoefenen. Maar de uitdrukking van vrome overgave en devotie erin heeft me altijd geraakt wanneer ik het speelde; ik kan eigenlijk niet zeggen wat ik meer zou missen—dit koraal, of het einde van de laatste fuga.”

Hoe Forkel wist dat het ‘een paar dagen voor zijn dood’ was en dat de schrijver ‘Altnickol’ was, weten we niet. Hij had gecorrespondeerd met C.Ph. Emmanuel, maar diens brieven aan Forkel met informatie over zijn vader bevatten geen informatie over dit onderwerp.

De legende krijgt vleugels (Ph. Spitta, 1880)

In 1880 publiceert Ph. Spitta een lijvige biografie van J.S. Bach, met veel details, en schrijft:

“Rond zijn sterfbed stonden zijn vrouw en dochters, zijn jongste zoon Christian, zijn schoonzoon Altnikol en zijn leerling Müthel. Hij had nog tot enkele dagen voor zijn dood met Altnikol gewerkt. Een orgelkoraal dat in vroeger tijden was gecomponeerd, zweefde in zijn ziel, bereid als hij was om te sterven, en hij wilde het voltooien en vervolmaken. Hij dicteerde en Altnikol schreef. „Wenn wir in höchsten Nöten sein” was de naam die hij er oorspronkelijk aan had gegeven; hij paste de sfeer nu aan een ander gezang aan en schreef er boven: „Vor deinen Thron tret ich hiermit.”3

Spitta beschikte over geen enkele andere feitelijke historische bron dan wij voor ‘zijn verhaal’. Het is duidelijk dat de mensen die aan Bachs sterfbed aanwezig waren, degenen zijn van wie hij dacht dat ze er geweest zouden kunnen zijn. Wat hij echter wel heeft opgemerkt, is dat het koraal dat na Bachs dood werd gepubliceerd geen ‘nieuwe’ compositie was, maar een ‘vervolmaking’ van een reeds bestaande compositie. En hij zag en greep de kans om de oorspronkelijke titel te veranderen van Wenn wir in höchsten Nöten sein naar Vor deinen Thron tret ich hiermit (Hiermee verschijn ik voor uw troon). Dat geeft het verhaal zijn meeslepende wending… Dat hij posthuum ‘in Bach’s geest heeft gekeken’ en daar heeft gezien dat Bach in werkelijkheid tijdens het dictee dacht aan de tekst van dat lied… tsja.

De rest is geschiedenis…

Het bewuste werk dat als afsluiting van Die Kunst der Fuge werd gepubliceerd, is de facto een herziene zetting van de hymne Wenn wir in höchsten Nöten sein (BWV 668), behorend tot de Leipziger Koralen (een manuscriptenverzameling waaraan Bach tussen 1739-1742 had gewerkt), dat zelf weer een herziening was van een koraal uit het Orgelbüchlein (Weimar), zoals hij dat met vele andere deed. Tijdens zijn laatste jaren bleef Bach aan zijn oeuvre werken, finetunen en perfectioneren. De resulterende versie van Wenn wir in höchsten Nöten sein is gecatalogiseerd als BWV 668a. Die versie is echter niet identiek aan de compositie die de familie aan het einde van Die Kunst der Fuge plaatste. Dat schijnt weer een iets oudere versie te zijn. De verwarring tussen de verschillende versies lijkt vrijwel onmiddellijk na Bachs dood te zijn begonnen. Zie schema. Christoph Wolff, die dit tot in detail heeft geanalyseerd (1991: Essays), voegt aan het eind van zijn artikel een stemma-diagram toe (dat ik heb uitgebreid met details uit het artikel).

Drie versies van een koraalzetting van “Wenn wir in höchsten Nöten sein” Gebaseerd op het schema in Chr. Wolff, The deathbed Chorale – a myth exposed (Essays 1991, p. 282-294).

Die Kunst der Fuge

Vandaag de dag weten we dat Bach in zijn laatste jaren met verschillende projecten bezig was, waaronder de Mis in b-mineur (h-moll) en de Achttien Leipziger Koralen, waarbij hij bestaand materiaal perfectioneerde. Die Kunst der Fuge behoort ook tot deze groep. De eerste versie (overgeleverd in een handgeschreven manuscript) stamt uit de vroege jaren 1740 (gaat misschien zelfs nog wel verder terug), en presenteert zich als een studie in ‘Contrapunctus’: 12 fuga’s en 2 canons. In de late jaren 1740 moet Bach ook zijn ‘Contrapunctus’-studies opnieuw ter hand hebben genomen, om deze te herzien en uit te breiden tot wat we nu kennen als de ‘Kunst der Fuge’: 14 fuga’s, 4 canons. Hij zal een publicatie voor ogen hebben gehad, want er bestaan drukken van ‘proefplaten’ met een correctie (titel) in de hand van Joh. Christoph Friedrich Bach, verwijzend naar de instructie van zijn vader: “N.B. Der seel. Papa hat auf die Platte diesen Titul stechen lassen, Canon per Augment: in Contrapuncto all octava, er hat es aber wieder ausgestrichen auf der Probe Platte und gesetzet wie forn stehet.” 4

Was het onvoltooid? In het handschrift van (C. Ph. Emmanuel Bach) staat op de laatste pagina geschreven: „NB über dieser Fuge, wo der Nahme B A C H im Contrasubject angebracht worden, ist der Verfasser gestorben.“ 5. Dit moet niet als een ‘ooggetuigenverslag’ worden opgevat, maar als een persoonlijke notitie die verklaart waarom de fuga niet is voltooid. Chr. Wolff suggereert zelfsdat dit veel later door C.P. Emmanuel is toegevoegd.6
Christoph Wolff interpreteert deze laatste fuga als de ‘schets’ (“Entwurff”, genoemd door J.Fr. Agricola) waarin Bach de noodzakelijke partijen (combinatie van de 4 onderwerpen) heeft opgeschreven. Hij stopt met schrijven niet omdat hij doodgaat, maar gewoon op de plaats waar de voortzetting van de fuga vanzelfsprekend is. Een echte ‘draft’ om te kijken of alles klopt. Hij verwijst ook naar de ‘slordige’ maatstrepen op deze pagina, die enkel geschikt zijn voor een kladversie, niet voor een volledige uitwerking.

Hoe dan ook, Bach werkte blijkbaar aan de fuga’s in zijn laatste creatieve periode. En hij had de intentie om ze te laten publiceren/drukken, als Die Kunst der Fuge, of als Clavierübung V, of als een bijdrage aan de Correspondierende Societät der musicalischen Wissenschaften (Mizlers Sociëteit). In de publicatie van 1751 zijn de noten van de laatste maten niet gedrukt, is de fuga onvoltooid gelaten en wordt deze gevolgd door het ‘compensatiekoraal’. (click to enlarge)

EXTRA: Musico-Theologica… Schmidt

J.M. Schmidt (1754) in Musico-Theologia, oder Erbauliche Anwendung Musicalischer Wahrheiten (Bayreuth, Vierling, 1754): par. 88, p. 197: “Wie nöthig einem Musico die Seele sey” (tegen de materialistisch-mechanische opvatting van de muziek, destijds populair vanwege de ingenieuze mechanische speeldozen (ja, zelfs een beeld van een fluitist dat fluit, beweegt en zelfs ‘met de ogen rolt!’, “aber ein denkendes, ein wollendes, ein componirendes Bild hat noch keiner erfunden, nicht einmal iets ähnliches” —vergelijk de AI-discussie van vandaag), om dan te vervolgen met: “Wer sich recht überzeugen will, der beliebe des vorhin belobten Bachs in Kupferstich herausgekommenen letztes Fugenwerk, welches aber durch seine darzwischen gekommen Blindheit unterbrochen worden is, recht anzusehen, und die darinnen liegende Kunst, anzumerken; oder, welches ihm noch wunderbarer vorkommen muß, den in seiner Blindheit von ihm einem andern in die Feder dictirten Choral: Wenn wir in höchsten Nothen seyn. Ich bin gewiß, er wird gar halb seiner Seele nöthig haben, wenn er alle angebrachte Schönheiten einsehen, geschweige wenn er selbst spielen oder von dem Verfertiger urtheilen will. Was die Verfechter des Materialismi vorbringen, muß alles bey diesem einzigen Exempel Übern Hausen fallen.”
Origineel (1754) en Nederlandse vertaling door J.W. Lustig (1756) van dit traktaat (klik om te vergroten) :

Dick Wursten, juni 2026

Orgel-Büchlein

Orgel-Büchlein
Worrine einem anfahenden Organisten Anleitung gegeben wird, auff allerhand
Arth einen Choral durchzuführen, anbey auch sich im Pedal studio zu habilitiren, indem in solchen darinne befindlichen Choralen das Pedal gantz obligat tractiret wird.
Dem Höchsten Gott allein’ zu Ehren,
Dem Nechsten, draus sich zu belehren.

Autore
Joanne Sebast. Bach
p. t. Capellae Magistri
S. P. R. Anhaltini Cotheniensis.

Orgelboekje
Waarin een beginnend organist
onderricht ontvangt in het uitvoeren van een koraal op velerlei wijze, en zich tevens kan oefenen in het gebruik van het pedaal, aangezien in de hier opgenomen koralen het pedaal geheel als zelfstandige stem (obligaat) behandeld wordt.
De allerhoogste God alleen zij eer,
En dat mijn naaste er iets uit leer.

Door
Johann Sebastian Bach
p.t. (pro tempore) Kapelmeester
van Zijne Doorluchtige Hoogheid,
de Prins van Anhalt-Köthen.

Johann Christoph Rost – the Passion in Leipzig

The most important (only) information about how and where the Leipzig Passion (recited first, music later) was performed comes from a register kept by a sexton of St Thomas, Johann Christoph Rost (1716-1739). He first refers to ‘the other church’ (Neue Kirche, where there is a tradition of ‘vespers’ on Good Friday. He doesn’t mention the (not irrelevant) fact that in that church during in 1717 already a full-scale musical passion was performed under the direction of Gottfried Vogler (Telemann’s Brockespassion). Then he turns to ‘his church’ (St. Thomas), writing down when and how St. Thomas also started with a musicierte Passion: 1721 (Johann Kuhnau is cantor: St. Marks Passion, the scholars tell me). He skips mentioning 1722, but continues with Item 1723 the same also” (I interpret this as: “1723, also at St. Thomas, same procedure“). Then he mentions that in 1723 there was for the first time a vesper in St. Nicolai (payed for/instituted by – a gift – from Mrs. Koppin, a widow, I read elsewhere). Then in 1724 the ‘musicierte Passion‘ is performed in St. Nicolai, while in St Thomas the vesper was a sober one (singing a passion choral, in which the entire story is told, f.i. Jesu Leiden, Pein und Tod (23 stanzas) or Oh Mensch, bewein dein Sünde gross (34 stanzas) An evocation of a complete service: click here. From 1724 onwards the musicierte vesper alternates between St Thomas and St Nicolai.

source: Bach-Dokumente II, nr. 180 (I marked the hymntitles, and added some interpunction for readability, below a copy.

Register of sexton Rost, about the Passions. source: BD II, between p. 192-193

Original: Deutsch

»In der Neuen Kirche wird am Charfreytage auch eine vesper gehalten, welche Hor. 3. [um 3 Uhr] angehet. Anno 1721 ward am Charfreytag in der vesper die Passion zum 1stmahl musiciret, 1 Viertel auf 2. wurde gelautet mit dem gantz gelaute, als ausgelautet, wurd auf dem Chor das Lied gesungen ›Da Jesus an dem Creutze stund‹. Dann ging gleich die Musicirte Passion an und ward vor der Predigt halb gesungen. Dise Helfte schloß sich mit dem verß ›O Lamb gottes unschuldig‹, damit ging der Prister auf die Cantzel. Auf der Cantzel ward a[uch] ›Herr Jesu Christ dich zu uns wend‹ gesungen. Dann ging die andre Helffte der Music an, als solche aus, ward die Motete ›Ecce quomodo moritur justus‹ gesungen, alsdenn der Passions vers intoniret und Colle[c]te gesprochen. Alsdenn ›Nun dancket alle gott‹ gesungen. It[em]. 1723 eben also.
Anno 1723. ward zum ersten mahl die Vesper zu St. Nicolai gehalten, die Predigt hielte der Herr Superintend[ent]. Herr D[octor]. Deyling, welche Fr. Koppin gestiftet.
Anno 1724. wurde die Passion [von den Cantore] zu St. Nic. zum ersten mahl Musiciret, etc. Zu St. Thom. aber wurden nur Lieder gesungen, wie vor diesem gebräuchlich.
1725. zu St. Thom:
1726. zu St. Nicol.
1727. zu St. Thom:
1728. zu St. Nicol.
1729. St. Thomae.
1730. St. Nicolai.
1731. St. Thomae.
1732. St. Nicol.
1733, war die Trauer Zeit; des Königes.
1734. St. Thomae.
1735. St. Nicolai.
1736. St. Thomae mit beyden orgeln.7
1737. St. Nicol.
1738. St. Thom.

English Translation

In the New Church (University) there was also a Vesper on Good Friday, which began at Three o’clock. Anno 1721, for the first time, the Passion was performed with full music.
A Quarter to two the bell started to toll at full force, and when it stopped, the hymn Da Jesus an dem Kreuze stund (When Jesus stood at the cross) was sung from the choir gallery. Then the concerted Passion began immediately, half of which was performed before the sermon. This half was completed with the hymn verse, O Lamm Gottes unschuldig (O innocent Lamb of God) during which the priest made his way to the pulpit. After he reached the pulpit, Herr ]esu Christ, dich zu uns wend (Turn to us, Lord Jesus Christ) was sung. After the sermon, the other half of the music began. When it was finished the motet Ecce quomodo moritur iustus (Behold how the Righteous dies) was sung. Then the Passion verse was intoned, a collect prayed, and the hymn Nun danket alle Gott (Now thank we all our God) sung…
1723: For the first time, Vespers were held at St. Nicholas Church. The sermon was given by the Superintendent, Dr. Deyling, and was endowed by Mrs. Koppin.
1724: The Passion was performed by the cantor for the first time at St. Nicholas, etc. (This is Bach’s St.Johns passion.) At St. Thomas, however, only hymns were sung, as had been the custom previously.

The chronicle of Anna Magdalena Bach (movie 1968)

Gustav Leonhardt ‘playing’ Bach

Below are three fragments from a 1968 movie (well: hardly anything ‘moves’, it’s more a ‘statement’), The Chronicle of Anna Magdalena Bach, original title: “Chronik der Anna Magdalena Bach (Straub/Huillet), in which Leonhardt plays the role of J.S. Bach. The movie stays as far away as possible from romantic Bach biopics. Hence the awkwardness of the players and the absence of any emotion in diction, kind of deliberately making a bad film. However, the mise-en-scène of the musicians performing Church Music is quite nice: around the grand organ, all together. Below the propaganda poster. Then three fragments, I cut from the movie, all with musicians performing a cantata (or even the St Matthew Passion) on an organ gallery: A ‘Historically Informed Performance’ from 1968. The musicians from Concentus Musicus Wien (and Schola Cantorum) directed by Nicolaus Harnoncourt + the Hannover Boys Choir.
One remark: In Bach’s time, there would only be 4 singers in the gallery for a normal cantata, and 8 for the (double-choir) passion. And they would be standing in front of the instrumentalist… For this see the ‘reconstruction’ image of the performance of the St Matthew passion

  • the opening choir of the Saint Mattew’s Passion, BWV 244 (Kommt, ihr Töchter):

  • recitative-aria ‘Ich freue mich auf meinen Tod’ (uit ‘Ich habe genung’ BWV 82)

  • Overture and recitative from ‘Am  Abend aber desselbigen Sabbats’ (BWV 42)

Salve caput cruentatum

Deel 7 van Salve mundi salutare… (meditatie van de ‘wonden’ van Jezus, geordend per lichaamsdeel: membra Jesu Chirsti ). Voor de hele tekst met Duitse vertaling van Gerhardt: klik hier

  
Salve, caput cruentatum,
Totum spinis coronatum,
Conquassatum, vulneratum,
Arundine sic verberatum
Facie sputis illita,
O Haupt voll Blut und Wunden,
Voll Schmerz und voller Hohn,
O Haupt, zum Spott gebunden
Mit einer Dornenkron;
O Haupt, sonst schön gezieret
Mit höchster Ehr’ und Zier,
Jetzt aber höchst schimpfieret:
Gegrüßet sei’st du mir!
Salve, cuius dulcis vultus,
Immutatus et incultus
Immutavit suum florem
Totus versus in pallorem
Quem coeli tremit curia.
Du edles Angesichte,
Davor sonst schrickt und scheut
Das große Weltgewichte,
Wie bist du so bespeit!
Wie bist du so erbleichet!
Wer hat dein Augenlicht,
Dem sonst kein Licht nicht gleichet,
So schändlich zugericht’t?
Omnis vigor atque viror
Hinc recessit, non admiror,
Mors apparet in aspectu,
Totus pendens in defectu,
Attritus aegra macie.
Die Farbe deiner Wangen,
Der roten Lippen Pracht
Ist hin und ganz vergangen;
Des blaßen Todes Macht
Hat alles hingenommen,
Hat alles hingerafft,
Und daher bist du kommen
Von deines Leibes Kraft.
Sic affectus, sic despectus
Propter me sic interfectus,
Peccatori tam indigno
Cum amoris intersigno
Appare clara facie.
Nun, was du, Herr, erduldet,
Ist alles meine Last;
Ich hab’ es selbst verschuldet,
Was du getragen hast.
Schau her, hier steh’ ich Armer,
Der Zorn verdienet hat;
Gib mir, o mein Erbarmer,
Den Anblick deiner Gnad!
In hac tua passione
Me agnosce, pastor bone,
Cuius sumpsi mel ex ore,
Haustum lactis ex dulcore
Prae omnibus deliciis,
Erkenne mich, mein Hüter,
Mein Hirte, nimm mich an!
Von dir, Quell aller Güter,
Ist mir viel Gut’s getan.
Dein Mund hat mich gelabet
Mit Milch und süßer Kost;
Dein Geist hat mich begabet
Mit mancher Himmelslust.
Non me reum asperneris,
Nec indignum dedigneris
Morte tibi iam vicina
Tuum caput hic acclina,
In meis pausa brachiis.
Ich will hier bei dir stehen,
Verachte mich doch nicht!
Von dir will ich nicht gehen,
Wenn dir dein Herze bricht;
Wenn dein Haupt wird erblaßen
Im letzten Todesstoß,
Alsdann will ich dich faßen
In meinen Arm und Schoß.
Tuae sanctae passioni
Me gauderem interponi,
In hac cruce tecum mori
Praesta crucis amatori,
Sub cruce tua moriar.
Es dient zu meinen Freuden
Und kommt mir herzlich wohl,
Wenn ich in deinem Leiden,
Mein Heil, mich finden soll.
Ach, möcht’ ich, o mein Leben,
An deinem Kreuze hier
Mein Leben von mir geben,
Wie wohl geschähe mir!
Morti tuae iam amarae
Grates ago, Jesu care,
Qui es clemens, pie Deus,
Fac quod petit tuus reus,
Ut absque te non finiar.
Ich danke dir von Herzen,
O Jesu, liebster Freund,
Für deines Todes Schmerzen,
Da du’s so gut gemeint.
Ach gib, daß ich mich halte
Zu dir und deiner Treu’
Und, wenn ich nun erkalte,
In dir mein Ende sei!
Dum me mori est necesse,
Noli mihi tunc deesse;
In tremenda mortis hora
Veni, Jesu, absque mora,
Tuere me et libera.
Wenn ich einmal soll scheiden,
So scheide nicht von mir;
Wenn ich den Tod soll leiden,
So tritt du dann herfür;
Wenn mir am allerbängsten
Wird um das Herze sein,
So reiß mich aus den Ängsten
Kraft deiner Angst und Pein!
Cum me jubes emigrare,
Jesu care, tunc appare;
O amator amplectende,
Temetipsum tunc ostende
In cruce salutifera.
Erscheine mir zum Schilde,
Zum Trost in meinem Tod,
Und laß mich sehn dein Bilde
In deiner Kreuzesnot!
Da will ich nach dir blicken,
Da will ich glaubensvoll
Dich fest an mein Herz drücken.
Wer so stirbt, der stirbt wohl.

O hoofd vol bloed en wonden (D-NL)

Paul GerhardtVertaling J.W. Schulte Nordholt
(schuingedrukt = DW)
O Haupt voll Blut und Wunden,
Voll Schmerz und voller Hohn,
O Haupt, zum Spott gebunden
Mit einer Dornenkron;
O Haupt, sonst schön gezieret
Mit höchster Ehr’ und Zier,
Jetzt aber höchst schimpfieret:
Gegrüßet sei’st du mir!
O hoofd vol bloed en wonden,
bedekt met smaad en hoon,
o hoofd zo wreed geschonden,
uw kroon een doornenkroon,
o hoofd eens schoon en heerlijk
en stralend als de dag,
hoe lijdt Gij nu zo deerlijk!
Ik groet U vol ontzag.
Du edles Angesichte,
Davor sonst schrickt und scheut
Das große Weltgewichte,
Wie bist du so bespeit!
Wie bist du so erbleichet!
Wer hat dein Augenlicht,
Dem sonst kein Licht nicht gleichet,
So schändlich zugericht’t?
O hoofd zo hoog verheven,
o goddelijk gelaat,
waar werelden voor beven,
hoe bitter is uw smaad!
Gij, eens in ‘t licht gedragen,
door engelen omstuwd,
wie heeft U zo geslagen
gelasterd en gespuwd?
Die Farbe deiner Wangen,
Der roten Lippen Pracht
Ist hin und ganz vergangen;
Des blaßen Todes Macht
Hat alles hingenommen,
Hat alles hingerafft,
Und daher bist du kommen
Von deines Leibes Kraft.
De blos op uw wangen
Het rood van uw lippen
Weg is het, vergaan.
De dood, de bleke dood
Heeft alles afgenomen
Heeft alles uitgewist.
En zo zijt Gij gekomen
Aan ’t einde van uw kracht.
Nun, was du, Herr, erduldet,
Ist alles meine Last;
Ich hab’ es selbst verschuldet,
Was du getragen hast.
Schau her, hier steh’ ich Armer,
Der Zorn verdienet hat;
Gib mir, o mein Erbarmer,
Den Anblick deiner Gnad!
O Heer uw smaad en wonden,
ja alles wat Gij duldt,
om mij is het, mijn zonden,
mijn schuld, mijn grote schuld.
O God ik ga verloren
om wat ik heb gedaan,
als Gij mij niet wilt horen.
Zie mij in liefde aan.
Erkenne mich, mein Hüter,
Mein Hirte, nimm mich an!
Von dir, Quell aller Güter,
Ist mir viel Gut’s getan.
Dein Mund hat mich gelabet
Mit Milch und süßer Kost;
Dein Geist hat mich begabet
Mit mancher Himmelslust.
Houdt Gij mij in uw hoede,
Gij die uw schapen telt,
o bron van al het goede,
waar uit mijn leven welt.
Gij die mijn ziel wilt laven
met liefelijke spijs,
Gij overstelpt met gaven
tot in het paradijs.
Ich will hier bei dir stehen,
Verachte mich doch nicht!
Von dir will ich nicht gehen,
Wenn dir dein Herze bricht;
Wenn dein Haupt wird erblaßen
Im letzten Todesstoß,
Alsdann will ich dich faßen
In meinen Arm und Schoß.
Ik wil graag bij u blijven;
veracht mij nu toch niet!
Ik wil U niet verlaten
als uw hart het begeeftt.
Als uw hoofd verbleekt
in de allerlaatste nood,
dan wil ik u omarmen
en bergen in mijn schoot.
Es dient zu meinen Freuden
Und kommt mir herzlich wohl,
Wenn ich in deinem Leiden,
Mein Heil, mich finden soll.
Ach, möcht’ ich, o mein Leben,
An deinem Kreuze hier
Mein Leben von mir geben,
Wie wohl geschähe mir!
Het is mij een vreugde
en doet me werkelijk goed,
dat ik in uw lijden, o mijn heil,
mijzelve vinden zal.
Ach, mocht ik, o mijn leven,
bij uw kruis
mijn leven uit handen geven:
Hoe goed zou dat voor mij zijn
Ich danke dir von Herzen,
O Jesu, liebster Freund,
Für deines Todes Schmerzen,
Da du’s so gut gemeint.
Ach gib, daß ich mich halte
Zu dir und deiner Treu’
Und, wenn ich nun erkalte,
In dir mein Ende sei!
Ik dank U o mijn vrede,
mijn God die met mij gaat,8
voor wat Gij hebt geleden
aan bitterheid en smaad.
Geef dat ik trouw mag wezen,
want Gij zijt trouw en goed.
Ik volg U zonder vrezen
wanneer ik sterven moet.
Wenn ich einmal soll scheiden,
So scheide nicht von mir;
Wenn ich den Tod soll leiden,
So tritt du dann herfür;
Wenn mir am allerbängsten
Wird um das Herze sein,
So reiß mich aus den Ängsten
Kraft deiner Angst und Pein!
Wanneer ik eens moet heengaan
ga Gij niet van mij heen,
laat mij dan niet alleen gaan
niet in de dood alleen.
Wees in mijn laatste lijden,
mijn doodsangst, mij nabij.
O God, sta mij terzijde,
die lijdt en sterft voor mij.
Erscheine mir zum Schilde,
Zum Trost in meinem Tod,
Und laß mich sehn dein Bilde
In deiner Kreuzesnot!
Da will ich nach dir blicken,
Da will ich glaubensvoll
Dich fest an mein Herz drücken.
Wer so stribt, der stirbt wohl.
Wees Gij om mij bewogen
en troost mijn angstig hart.
Voer mij uw beeld voor ogen,
gekruisigde, uw smart.
Dan zal ik vol vertrouwen,
gelovig en bewust,
uw aangezicht aanschouwen.
Wie zo sterft, sterft gerust.

Met Bach naar de kerk

Een serie schetsen naar aanleiding van cantates en de Mattheüspassie met slechts één bedoeling; de teksten de context te geven die hen eigen is: de stichtelijke lectuur (preken, gedichten, meditaties) van de late 17de en vroege 18de eeuw.

Daarnaast een transcriptie/Engelse vertaling van de ongeveer 250 gedeelten die Bach heeft onderlijnd etc. in het Bijbelcommentaar van Luther (red. Abraham Calov). Zeer leerzaam. Hier een introductie in het Nederlands: Bach’s Calov bijbel: notities, markeringen

U vindt ze in het menu hierboven (op uw laptop/desktop ziet u de titels meteen; op een tablet/smartphone zitten ze onder het menu-icoontje).

Rowland – Lord Willoughby

De melodie/het lied

Eén van de bekendste melodieën uit het Engeland van Queen Elisabeth, is de melodie van een ballade Lord Willoughby’s Welcome Home. Lord Willoughby [over hem kunt hieronder meer lezen] had bij Bergen op Zoom de Spaanse troepen van Farnese teruggeslagen (1588) en werd het jaar daarna als held ontvangen in London: NB: zulk een ‘home-coming” was een officiële ceremoniële happening. Daar horen dus feestelijkheden bij, zoals een uitgebreid lied waarin z’n heldendaden worden bezongen. De melodie sloeg in en werd vooral bekend als Rowland (n.a.v. een klucht (‘jig’ in het Engels) waarin Rowland één van de protagonisten is: Rowland and the Sexton (=koster). Klavecinisten en luitenisten kennen de melodie. John Dowland heeft ‘m bewerkt (2x – voor luit, de tweede versie voor luit-duo), er is een fraaie zetting + variaties van William Byrd (BK7). Deze staat zowel in het bekende Fitzwilliam Virginal Book (no. 160: titel ‘Rowland’) als in Lady Nevell’s Book (no. 33: Lord Willobies Welcome Home’). Het is waarschijnlijk vooral het gebruik in de klucht dat ervoor zorgde dat de melodie ook populair werd on the continent, m.n. in Nederland en Duitsland. Sterker nog: Men kent de klucht (of een deel ervan) enkel omdat de Duitse versie is overgeleverd: Oh, Nachbar lieber Robert, mein Herz ist voller Pein… zo begint die klucht (= het lied Rowland) . Het hoeft dus niet te verbazen dat u de melodie ook tegenkomt in Ludi Musici van Samuel Scheidt (Canzon XXVII super “O Nachbar Roland). Tijd voor muziek:

William Byrd, Rowland Lord Willobies welcome home

Ik heb wat achtergrondinfo verzameld en bij de geluidsopname van William Byrd’s variaties op dit thema gezet.

Ook fans van Sting kennen de tune (gitaar/luitversie van John Dowland). [ lees verder onder de youtubelink]

John Dowland & Sting: My Lord Willoughby’s Welcome Home

Samuel Scheidt: O Nachbar Roland

Uit de bundel Ludi Musici is er een ‘canzon’ gebaseerd op de melodie “O Nachbar Roland” met deze titel: (Canzon XXVIII super O Nachbar Roland). U herkent de melodie meteen. Hier twee uitvoeringen. Eén door snaar- de andere door blaas-instrumenten.

Versie voor gamba-consort
Les Sacqboutiers

Wie was Willoughby?

Lord Willoughby (voluit: Peregrine Bertie, 13th Baron Willoughby de Eresby (12 oktober 1555 – 25 juni 1601) was de rechterhand van Robert Dudley, Count of Leicester, die door Queen Elisabeth naar de Nederlanden was afgevaardigd om militaire steun te verlenen aan de Opstand tegen de ‘Spanjaarden’. Als Leicester in 1587 wordt teruggeroepen naar Engeland, wordt Willoughby opperbevelhebben van de Engelse troepen. In Zutphen lijdt hij nog een nederlaag, maar in 1588 weet hij de opmars van Alexander Farnese ( uweetwel: Val van Antwerpen 1585) te stuiten bij het vestingstadje Bergen op Zoom. Geen geringe prestatie, een knap staaltje militair vakmanschap, en een cruciale gebeurtenis in wat wij de ’80-jarige oorlog noemen. Deze overwinning wordt in de originele ballade stevig in de verf gezet – heroïsch, overdreven, patriottische propaganda. (Spin-doctors, fake news: ook toen al zeer courant, sterker nog: door de afwezigheid van een onafhankelijke pers, hadden die vrij spel). Nadien heeft Willoughby ook nog enige tijd in Frankrijk zijn diensten betoond aan Henry de Navarre. Oh ja, hij was ook al eerder in de Nederlanden geweest, in 1582, in Antwerpen samen met de Duc d’Anjou… ook een bewogen periode, met de moordaanslag op Willem van Oranje en de dood van zijn vrouw: Charlotte de Bourbon (begraven in de Antwerpse kathedraal).

Ballade: The fifteenth day of July, with glist’ring sword…

Lord Willouhghby’s Welcome home. – een ‘pamflet’ (broadsheet). Eind 17de eeuw (Bodleian)

English summary

Peregrine Bertie, 13th Baron Willoughby de Eresby went to the Low Countries with the Earl of Leicester’s army in 1586. In March 1587 he was named General of the English forces assisting the Dutch Republic in its Revolt agains Spain. The Elizabethan song, known as ‘Lord Willoughby’s Welcome Home’ recounts that ‘The fifteenth day of July / with glistening spear and shield / A famous fight in Flanders / Was foughten in the field; / The most courageous officers / Were English Captains three; / But the bravest man in Battell / Was brave Lord Willougby’. This song probably refers to the successfull defense of the city of Bergen op Zoom in 1588, besieged by the army of Alexander Farnese (the Duke of Parma) Due to health problems, he asked to be relieved of his command and returned home in 1589 (The occasion for ‘Lord Willoughby’s Welcome Home‘) A little later he was sent back to the Continent, this time to help Henri de Navarre in France, from where he returned in 1590. He died in 1601.

In the Fitzwilliam Virginal Book, the title of Byrd’s set of variations is Rowland owing to the association of the melody with the popular jig Rowland and the Sexton (ca. 1591). It also is copied into Nevell, with the title: Lord Willobies Weclome Home. It also became popular on the Continent: O Nachbar Roland is the title of the opening song of the ‘jig’ and figuring as Canzon XXVIII in Samuel Scheidt’s Ludi Musici.

Full text van de ballade

RELIQUES
of
ANCIENT ENGLISH POETRY:
consisting of
OLD HEROIC BALLADS, SONGS,
AND OTHER PIECES,
of our
EARLIER POETS.
Together with some few of later date
and a copious glossary.

by THOMAS PERCY, D. D.
Bishop of Dromode.

[London, 1839]

Christ lag in Todesbanden (D-NL)

Tekst van de Bach-cantate (BWV 4)

Bespreking van de cantate en deze tekst vindt u hier.

1. Sinfonia
Violino I/II, Viola I/II, Continuo
 
2. Versus 1
S A T B (+ Cornetto, Trombones
Violino I/II, Viola I/II, Continuo
 
Christ lag in Todes Banden
für unsre Sünd gegeben.
Er ist wieder erstanden
Und hat uns bracht das Leben.
Des wir sollen fröhlich sein,
Gott loben und ihm dankbar sein
Und singen: Halleluja!
Halleluja!
1 Christus lag in de dood gebonden,
Hij gaf zich voor onze zonde.
Hij is verrezen, de Heer,
en schenkt ons nu het leven weer.
Laten wij dus vrolijk zijn,
God loven en hem dankbaar zijn
en zingen : halleluja.
Halleluja !
  
3. Versus 2
S + Cornetto, A + Trombone,
Continuo
 
Den Tod niemand zwingen kunnt
bei allen Menschenkinder.
Das macht alles unsre Sünd,
Kein Unschuld war zu finden.
Davon kam der Tod so bald
Und nahm über uns Gewalt,
Hielt uns in seinem Reich gefangen.
Halleluja!
2 Niemand kan op tegen de dood,
geen enkel mens op aarde;
Dat komt omdat door onze zonde
de onschuld is verdwenen.
Zo kwam de dood al snel aan zet
en heeft ons onderworpen,
hield ons onder zijn bewind gevangen.
Halleluja! (Kyrieleis)
  
4. Versus 3
T, Violino I/II, Continuo
 
Jesus Christus, Gottes Sohn,
an unser Statt ist kommen
und hat die Sünde weggetan,
damit dem Tod genommen
all sein Recht und sein Gewalt;
Da bleibet nichts denn Tods Gestalt;
Den Stachl hat er verloren.
Halleluja!
3 Jezus Christus, de Zoon van God,
is op onze plaats gaan staan
en heeft de zonde weggedaan.
Zo heeft hij van de dood
de rechtsmacht afgenomen.
Hem rest enkel uiterlijk vertoon:
De angel is eruit.
Halleluja!
  
5. Versus 4
S A T B, Continuo
 
Es war ein wunderlicher Krieg,
da Tod und Leben rungen.
Das Leben behielt den Sieg;
es hat den Tod verschlungen.
Die Schrift hat verkündigt das,
wie ein Tod den andern fraß,
ein Spott aus dem Tod ist worden.
Halleluja!
4 Het was een wonderlijk gevecht,
toen dood en leven worstelden.
Het leven behield de overhand
en heeft de dood verslonden.
De Schrift verkondigt dat
– toen de ene dood de ander vrat –
er met de dood gelachen mag worden.
Halleluja!
  
6. Versus 5
B, Violino I/II, Viola I/II, Continuo
 
Hier ist das rechte Osterlamm,
davon Gott hat geboten.
Das ist hoch an des Kreuzes Stamm
in heißer Lieb gebraten.
Das Blut zeichnet unser Tür;
Das hält der Glaub dem Tode für.
Der Würger kann uns nicht mehr schaden.
Halleluja!
5 Hier is het ware paaslam,
zoals God het heeft bevolen.
Het is hoog aan de stam van het kruis,
met vurige liefde gebraden.
Zijn bloed markeert nu onze deur
Daarmee bezweert het geloof de dood.
De verderver kan ons niet meer schaden.
Halleluja!
  
7. Versus 6
S T, Continuo
 
So feiern wir das hohe Fest
Mit Herzensfreud und Wonne,
Das uns der Herr erscheinen läßt;
Er ist selber die Sonne,
Der durch seiner Gnaden Glanz
Erleuchtet unsre Herzen ganz;
Der Sünden Nacht ist verschwunden.
Halleluja!
6 Laat ons dan vieren ‘t hoge feest
verheugd van hart en blij van geest:
Het is de Heer die ons dit geeft.
Hij is het licht, hij is de zon,
Die met de glans van zijn genade
onze harten weer laat stralen:
De nacht der zonde is verdreven.
Halleluja!
  
8. Versus 7
S A T B, Continuo (+ Instr)
 
Wir essen und leben wohl
In rechten Osterfladen
Der alte Sauerteig nicht soll
Sein bei dem Wort der Gnaden.
Christus will die Koste sein
Und speisen die Seel allein,
Der Glaub will keins andern leben.
Halleluja!
7 Wij eten en leven goed:
in echte Paaskoeken
kan geen oud zuurdeeg zitten
tegelijk met het genadewoord.
Christus wil tot lafenis
en spijs voor onze zielen zijn:
Van iets (iemand) anders wil het geloof niet leven.
Halleluja!

Nederlandse vertaling: Dick Wursten
Voor zingbare versies, zie Liedboek 1973 (J.W. Schulte Nordholt, Die in de dood gebonden lag) en Liedboek 2003 (Jaap Zijlstra, Christus lag in de dood terneer).