Juist omdat we zo weinig weten over het privé-leven van Bach, tieren er talloze anekdotes om die leemte op te vullen (horror vacui). Het verhaal “dat Bach op z’n sterfbed, al helemaal blind, het koraal “Vor deinem Thron tret ich hier mit” heeft gedicteerd, als z’n geestelijk testament” is een van de bekendste. Wat zijn de elementen—de feiten—waarop dit verhaal is gebaseerd?
De geschiedenis van de legende
Het verhaal begint niet bij het overlijdensbericht (geschreven in 1751 en gepubliceerd in 1754), want daarin staat het simpelweg niet. De auteurs, Carl Ph. Emmanuel Bach en Bachs leerling Agricola, noemen wel Bachs oogproblemen, de operaties die hij onderging en vermelden zelfs het tijdelijke herstel van zijn gezichtsvermogen tien dagen voor zijn dood, maar niets over een „dictee van een koraal” of een „laatste woord”.
Het eerste element van het verhaal duikt op in de publicatie van Die Kunst der Fuge (1751), uitgegeven door Bachs erfgenamen:

Op de achterzijde van de titelpagina staat een korte tekst (Nachricht/ Bericht)

„Der selige Herr Verfasser dieses Werkes wurde durch seine Augenkrankheit und dem kurz darauf erfolgten Tod ausser Stande gesetzet, die letzte Fuge, wo er sich bey anbringung des dritten Satzes namentlich zu erkennen giebet, zu Ende zu bringen; man hat dahero die Freunde seiner Muse durch Mittheilung des am Ende beygefügten vierstimmig ausgearbeiteten Kirchenchorals, den der selige Mann in seiner Blindheit einem seiner Freunde aus dem Stegereif in die Feder dictiret hat, schadlos halten wollen.“ (Wijlen de auteur van dit werk was door zijn oogziekte en zijn kort daaropvolgende dood niet meer in staat de laatste fuga—waarin hij zijn eigen naam bij het aanbrengen van het derde thema onthult—te voltooien. Daarom hebben de uitgevers de vrienden van zijn Muse schadeloos willen stellen door het meedelen van het aan het einde toegevoegde vierstemmig uitgewerkte kerklied, dat de overleden componist in zijn blindheid voor de vuist weg aan een van zijn vrienden heeft gedicteerd.)
1
De roodgekleurde zin verklaart de aanwezigheid van een vierstemmige zetting van het kerklied, na de onvoltooide fuga: het is een ‘compensatie’ voor de (schadeloosstelling) voor de onvolledigheid van de laatste fuga. NB: de titel van het koraal aan het einde is niet de titel die we verwachten (Vor deinem Thron) maar: Wenn wir in höchsten Nöten sein. Wel opvallend: net als de fuga’s wordt het koraal gepresenteerd op 4 afzonderlijke notenbalken.

Samengevat: Volgens de erfgenamen van Bach werd een 4-stemmig koraal Wenn wir in höchsten Nöten sein
1. gedicteerd aan een vriend toen Bach al blind was (d.w.z. ergens tussen eind 1749 en juli 1750, de periode dat Bach visueel zwaar gehandicapt was).
2. Het werd aan het einde van Die Kunst der Fuge toegevoegd als ‘compensatie’. Dit blijft het verhaal gedurende de 18e eeuw, met één belangrijke toevoeging:
3. Een zeer positieve waardering van de kwaliteit van de muziek door J.M. Schmidt (Musico-Theologia, 1754, een boek dat het bestaan van God ‘ex musica’ bewijst. Ja, echt waar). Schmidt verwijst naar Bachs Kunst der Fuge en het Koraal als bewijs dat echte muziek alleen gemaakt kan worden door menselijke wezens die ‘een ziel’ hebben en schrijft: “Wie werkelijk overtuigd wil worden, moet eens goed kijken naar het in koper gegraveerde, laatste fugatische werk van de eerder geprezen Bach—dat echter onderbroken werd door de blindheid die hem intussen overviel—en daarbij letten op de kunstvaardigheid die erin vervat zit; of, wat hem nog wonderbaarlijker moet voorkomen, het koraal dat door hem tijdens zijn blindheid gedicteerd werd: Wenn wir in höchsten Nothen seyn. Ik ben er zeker van dat hij al het merendeel van zijn ziel nodig zal hebben als hij alle aangebrachte schoonheden wil waarnemen, laat staan als hij het zelf wil spelen of een oordeel over de maker wil vellen.”2.
Niets over een ‘sterfbed-koraalnoten-dictee’, of ‘laatste woorden’.
De legende begint (J.N. Forkel, 1802)
J.N. Forkel (muziekhistoricus) schrijft in een catalogus van Bachs werken over de Kunst der Fuge:
“Om te compenseren wat er aan de laatste fuga ontbreekt, werd aan het einde van het werk het vierstemmige koraal toegevoegd: Wenn wir in höchsten Nöthen seyn & Bach dicteerde het in zijn blindheid, een paar dagen voor zijn dood, aan zijn schoonzoon, Altnikol. Over de kunst (kunde) die in dit koraal ten toon wordt gespreid, zal ik niets zeggen; het was de auteur zo vertrouwd dat hij het zelfs tijdens zijn ziekte kon uitoefenen. Maar de uitdrukking van vrome overgave en devotie erin heeft me altijd geraakt wanneer ik het speelde; ik kan eigenlijk niet zeggen wat ik meer zou missen—dit koraal, of het einde van de laatste fuga.”
Hoe Forkel wist dat het ‘een paar dagen voor zijn dood’ was en dat de schrijver ‘Altnickol’ was, weten we niet. Hij had gecorrespondeerd met C.Ph. Emmanuel, maar diens brieven aan Forkel met informatie over zijn vader bevatten geen informatie over dit onderwerp.
De legende krijgt vleugels (Ph. Spitta, 1880)
In 1880 publiceert Ph. Spitta een lijvige biografie van J.S. Bach, met veel details, en schrijft:
“Rond zijn sterfbed stonden zijn vrouw en dochters, zijn jongste zoon Christian, zijn schoonzoon Altnikol en zijn leerling Müthel. Hij had nog tot enkele dagen voor zijn dood met Altnikol gewerkt. Een orgelkoraal dat in vroeger tijden was gecomponeerd, zweefde in zijn ziel, bereid als hij was om te sterven, en hij wilde het voltooien en vervolmaken. Hij dicteerde en Altnikol schreef. „Wenn wir in höchsten Nöten sein” was de naam die hij er oorspronkelijk aan had gegeven; hij paste de sfeer nu aan een ander gezang aan en schreef er boven: „Vor deinen Thron tret ich hiermit.”3
Spitta beschikte over geen enkele andere feitelijke historische bron dan wij voor ‘zijn verhaal’. Het is duidelijk dat de mensen die aan Bachs sterfbed aanwezig waren, degenen zijn van wie hij dacht dat ze er geweest zouden kunnen zijn. Wat hij echter wel heeft opgemerkt, is dat het koraal dat na Bachs dood werd gepubliceerd geen ‘nieuwe’ compositie was, maar een ‘vervolmaking’ van een reeds bestaande compositie. En hij zag en greep de kans om de oorspronkelijke titel te veranderen van Wenn wir in höchsten Nöten sein naar Vor deinen Thron tret ich hiermit (Hiermee verschijn ik voor uw troon). Dat geeft het verhaal zijn meeslepende wending… Dat hij posthuum ‘in Bach’s geest heeft gekeken’ en daar heeft gezien dat Bach in werkelijkheid tijdens het dictee dacht aan de tekst van dat lied… tsja.
De rest is geschiedenis…
Het bewuste werk dat als afsluiting van Die Kunst der Fuge werd gepubliceerd, is de facto een herziene zetting van de hymne Wenn wir in höchsten Nöten sein (BWV 668), behorend tot de Leipziger Koralen (een manuscriptenverzameling waaraan Bach tussen 1739-1742 had gewerkt), dat zelf weer een herziening was van een koraal uit het Orgelbüchlein (Weimar), zoals hij dat met vele andere deed. Tijdens zijn laatste jaren bleef Bach aan zijn oeuvre werken, finetunen en perfectioneren. De resulterende versie van Wenn wir in höchsten Nöten sein is gecatalogiseerd als BWV 668a. Die versie is echter niet identiek aan de compositie die de familie aan het einde van Die Kunst der Fuge plaatste. Dat schijnt weer een iets oudere versie te zijn. De verwarring tussen de verschillende versies lijkt vrijwel onmiddellijk na Bachs dood te zijn begonnen. Zie schema. Christoph Wolff, die dit tot in detail heeft geanalyseerd (1991: Essays), voegt aan het eind van zijn artikel een stemma-diagram toe (dat ik heb uitgebreid met details uit het artikel).

Die Kunst der Fuge
Vandaag de dag weten we dat Bach in zijn laatste jaren met verschillende projecten bezig was, waaronder de Mis in b-mineur (h-moll) en de Achttien Leipziger Koralen, waarbij hij bestaand materiaal perfectioneerde. Die Kunst der Fuge behoort ook tot deze groep. De eerste versie (overgeleverd in een handgeschreven manuscript) stamt uit de vroege jaren 1740 (gaat misschien zelfs nog wel verder terug), en presenteert zich als een studie in ‘Contrapunctus’: 12 fuga’s en 2 canons. In de late jaren 1740 moet Bach ook zijn ‘Contrapunctus’-studies opnieuw ter hand hebben genomen, om deze te herzien en uit te breiden tot wat we nu kennen als de ‘Kunst der Fuge’: 14 fuga’s, 4 canons. Hij zal een publicatie voor ogen hebben gehad, want er bestaan drukken van ‘proefplaten’ met een correctie (titel) in de hand van Joh. Christoph Friedrich Bach, verwijzend naar de instructie van zijn vader: “N.B. Der seel. Papa hat auf die Platte diesen Titul stechen lassen, Canon per Augment: in Contrapuncto all octava, er hat es aber wieder ausgestrichen auf der Probe Platte und gesetzet wie forn stehet.” 4
Was het onvoltooid? In het handschrift van (C. Ph. Emmanuel Bach) staat op de laatste pagina geschreven: „NB über dieser Fuge, wo der Nahme B A C H im Contrasubject angebracht worden, ist der Verfasser gestorben.“ 5. Dit moet niet als een ‘ooggetuigenverslag’ worden opgevat, maar als een persoonlijke notitie die verklaart waarom de fuga niet is voltooid. Chr. Wolff suggereert zelfsdat dit veel later door C.P. Emmanuel is toegevoegd.6
Christoph Wolff interpreteert deze laatste fuga als de ‘schets’ (“Entwurff”, genoemd door J.Fr. Agricola) waarin Bach de noodzakelijke partijen (combinatie van de 4 onderwerpen) heeft opgeschreven. Hij stopt met schrijven niet omdat hij doodgaat, maar gewoon op de plaats waar de voortzetting van de fuga vanzelfsprekend is. Een echte ‘draft’ om te kijken of alles klopt. Hij verwijst ook naar de ‘slordige’ maatstrepen op deze pagina, die enkel geschikt zijn voor een kladversie, niet voor een volledige uitwerking.

Hoe dan ook, Bach werkte blijkbaar aan de fuga’s in zijn laatste creatieve periode. En hij had de intentie om ze te laten publiceren/drukken, als Die Kunst der Fuge, of als Clavierübung V, of als een bijdrage aan de Correspondierende Societät der musicalischen Wissenschaften (Mizlers Sociëteit). In de publicatie van 1751 zijn de noten van de laatste maten niet gedrukt, is de fuga onvoltooid gelaten en wordt deze gevolgd door het ‘compensatiekoraal’. (click to enlarge)

EXTRA: Musico-Theologica… Schmidt
J.M. Schmidt (1754) in Musico-Theologia, oder Erbauliche Anwendung Musicalischer Wahrheiten (Bayreuth, Vierling, 1754): par. 88, p. 197: “Wie nöthig einem Musico die Seele sey” (tegen de materialistisch-mechanische opvatting van de muziek, destijds populair vanwege de ingenieuze mechanische speeldozen (ja, zelfs een beeld van een fluitist dat fluit, beweegt en zelfs ‘met de ogen rolt!’, “aber ein denkendes, ein wollendes, ein componirendes Bild hat noch keiner erfunden, nicht einmal iets ähnliches” —vergelijk de AI-discussie van vandaag), om dan te vervolgen met: “Wer sich recht überzeugen will, der beliebe des vorhin belobten Bachs in Kupferstich herausgekommenen letztes Fugenwerk, welches aber durch seine darzwischen gekommen Blindheit unterbrochen worden is, recht anzusehen, und die darinnen liegende Kunst, anzumerken; oder, welches ihm noch wunderbarer vorkommen muß, den in seiner Blindheit von ihm einem andern in die Feder dictirten Choral: Wenn wir in höchsten Nothen seyn. Ich bin gewiß, er wird gar halb seiner Seele nöthig haben, wenn er alle angebrachte Schönheiten einsehen, geschweige wenn er selbst spielen oder von dem Verfertiger urtheilen will. Was die Verfechter des Materialismi vorbringen, muß alles bey diesem einzigen Exempel Übern Hausen fallen.”
Origineel (1754) en Nederlandse vertaling door J.W. Lustig (1756) van dit traktaat (klik om te vergroten) :


Dick Wursten, juni 2026
- Gelijkaardige opmerking bij Fr. W. Marpurg (tweede editie Kunst der Fuge – 1752) : “… Men heeft intussen reden om zich te vlijen met de gedachte dat het toegevoegde vierstemmig uitgewerkte kerkkoraal, dat de overleden man in zijn blindheid aan een van zijn vrienden voor de vuist weg heeft gedicteerd, dit gemis zal vervangen en de vrienden van zijn muze schadeloos zal stellen.” Bach Dokumente III, p. 15 – vertaald
- voor het Duitse origineel, en een 18de eeuws Nederlands vertaling, zie hieronder
- Um das Sterbebett standen neben der Gattin und den Töchtern der jüngste Sohn Christian, der Schwiegersohn Altnikol und der letzte Schüler Müthel. Mit Altnikol hatte Bach noch wenige Tage vor seinem Tode gearbeitet. Ein Orgelchoral aus alter Zeit schwebte vor seiner sterbensbereiten Seele, dem er die Vollendung geben wollte. Er dictirte und Altnikol schrieb. »Wenn wir in höchsten Nöthen sein« hatte er den Choral früher bezeichnet; jetzt schöpfte er die Stimmung aus einem andern Liede: er ließ ihn überschreiben »Vor deinen Thron tret ich hiemit«.
- “N.B. Papa had op de koperplaat de volgende titel laten graveren: Canon per Augment: in Contrapuncto all octava, maar had deze op de proefdruk weer doorgestreept en de titel hersteld zoals deze er voorheen stond.”
- “Tijdens het werken aan deze fuga, waar de naam BACH in het contrasubject wordt geïntroduceerd, is de componist overleden.“
- Chr. Wolff, Bach — Essays on his life and Music, 1991, p. 278, hij suggereert 1780, echter in voetnoot 2 op p. 423: “… kan enkele jaren na 1750 geschreven zijn.”
